Wanneer je door bijvoorbeeld een tuincentrum loopt, dan vind je er vaak (mits in het seizoen) moestuinbakken. Vaak van hout en met stokken opgedeeld in vakken van ongeveer 30 bij 30 centimeter. Toch, als je om je heen kijkt, bijvoorbeeld online, in een boek of op een YouTube-kanaal, dan zie je vaak moestuinen die niet deze lay-out hebben. Soms zie je prachtige lange rijen gewassen (traditionele methode) en soms staat alles door elkaar (permacultuur). Veel ervaren moestuinierders kiezen voor andere methoden dan de vakjesmoestuin. Toch ben ik hier het meeste fan van dit systeem, want het is niet alleen heel toegankelijk voor beginners, je kunt ook meer gewassen telen op een kleiner stuk grond en het kost de moestuin minder tijd dan een traditionele methode. Je bent immers veel minder tijd kwijt met het verwijderen van onkruid, bijvoorbeeld. En als laatste, wat voor mij heel belangrijk is, het geeft je enorm veel overzicht en structuur. Daar houd ik van.

Wat is een vakjesmoestuin?
Vakjesmoestuin is eigenlijk niet de juiste term. De eigenlijke term voor dit systeem is square foot gardening (letterlijk vertaald: vierkante foot tuinieren). Dit systeem is bedacht door de Amerikaanse ingenieur Mel Bartholomew. Hij had geen agrarische achtergrond. Juist dat maakte zijn aanpak anders. Hij keek naar moestuinieren zoals een ingenieur naar een probleem kijkt: waar gaat ruimte, tijd en energie verloren? En Amerikanen gebruiken geen vierkante meters, maar vierkante foot (voet). Een foot is 30,48 centimeter, afgerond spreken we in Nederland dus over vakjes van 30 bij 30 centimeter.
Hoe groot is een vakjesmoestuin?
Een vakjesmoestuin is aan één zijde maximaal 120 centimeter diep, mits hij niet tegen een muur staat. Dat komt omdat de reikwijdte van een menselijke arm ongeveer 60 centimeter is. Zo kun je er aan beide zijden makkelijk bij. Niet alleen een vakjesmoestuin heeft deze diepte, ook keukens. Een keukenkastje dat op de vloer staat, heeft als maximale diepte 60 centimeter, zodat je er overal makkelijk bij kunt. Omdat aan de andere kant een muur is, kun je er vanaf die zijde niet bij, dus 60 centimeter is de meest comfortabele diepte. Zo werkt ook een vakjesmoestuin. Kun je er aan beide zijden bij? Dan kan hij 120 centimeter diep zijn. Niet dieper. Minder diep mag natuurlijk wel. Mijn eerste moestuinbak was immers ook 90 centimeter diep.
En in de breedte? In de breedte kan het een meervoud van steeds 30 centimeter zijn. Als je liever kleine bakken wilt, dan doe je er niet zo veel, maar je zou er theoretisch voor kunnen kiezen, als je de ruimte hebt, om een bak van 120 bij 480 centimeter te bouwen. Dat zijn 16 × 4 vakjes van 30 bij 30 centimeter. Dat houdt het niet heel overzichtelijk meer. Gebruikelijker is, ook om het overzicht te houden, om je bak niet te groot te maken. Ik heb momenteel twee bakken van elk 120 bij 120 centimeter, dus 32 vakjes. Dat is voor mij voldoende.
De hoogte is wel een discussiepunt. De meeste bakken zijn 20 centimeter hoog. Dat is voor verreweg de meeste gewassen ruim voldoende, maar ik wil graag wortelen kweken, en die hebben vaak minimaal 30 centimeter diepte nodig. Om deze reden heb ik ook een bak van 30 centimeter hoog, dus elk vak is nu 30 bij 30 bij 30 centimeter bij mij.
Waarom is het efficiënter dan de traditionele methode?
Er zijn een aantal redenen waarom een vakjesmoestuin efficiënter is. Het feit dat er in vakjes gewerkt wordt, met weinig braakliggende aarde en een hoge plantdichtheid, maakt dat het een veel efficiëntere manier van moestuinieren is. Hieronder werk ik het stap voor stap uit.
Ruimte wordt doelgericht gebruikt
De traditionele manier werkt in rijen. Dit is ook te zien op een zakje zaden, waarop aangegeven staat hoeveel ruimte er tussen elke rij gewassen aangehouden moet worden. De ruimte tussen de rijen is loze ruimte, want er wordt daar niets geoogst. In plaats van denken in rijen, denk je bij deze methode in oppervlak per plant. Elke plant krijgt precies de ruimte die hij nodig heeft om een oogstbaar gewas te worden (daar later meer over). Hierdoor heb je meer planten per vierkante meter, zonder dat ze elkaar meteen in de weg zitten.
Minder tijd kwijt aan onderhoud
Wanneer je in rijen kweekt, heb je veel “blote” aarde waar gemakkelijk onkruid kan groeien. Je kunt hierdoor veel tijd kwijt zijn aan het weghalen van al dat onkruid. De plantdichtheid is in een vakjesmoestuin erg hoog, waardoor er minder ruimte is voor onkruid. Daarnaast zijn de kleine vakken overzichtelijk; je kunt meteen zien wat nodig is. Onkruid blijft daardoor beperkt en is snel weg. Hierdoor heb je korte, gerichte onderhoudsmomenten in plaats van lange tuinsessies.
Hogere opbrengst per oppervlak
Er is dus een dichte, maar berekende plantafstand. Opvolgteelt is eenvoudig. Staat er een vak leeg? Dan kun je het volgende alweer zaaien. Veel gewassen worden jong geoogst, waardoor je vaker kunt zaaien. Hierdoor haal je niet per plant meer kilo’s, maar per vierkante meter meer oogstmomenten. Voor normale huishoudens is dat prima.
Minder verspilling van zaad en planten
Je zaait per vak het benodigde aantal zaden. Je hoeft niet uit te dunnen in grote rijen, waar de helft sneuvelt, zoals bijvoorbeeld bij wortelen. Mislukkingen blijven lokaal. Eén vak faalt, niet een hele rij. Hierdoor is er minder zaad nodig en zijn er minder weggegooide planten.
Plantdichtheid of hoeveel planten per vakje?
Zaden worden per vak gezaaid in de volgende aantallen: 1 (soms 2), 4, 9 en 16, zie afbeelding hieronder. Dat gaat heel eenvoudig: je maakt bijvoorbeeld voor uien 9 gaatjes. Daar doe je dan in elk gaatje 2 of 3 zaden (let op, dit is niet helemaal volgens de filosofie van Mel Bartholomew om verspilling te voorkomen, maar het verhoogt wel je succes). Kleinere gewassen kunnen meer op elkaar zitten dan grotere gewassen, maar ja, hoeveel dan? Hieronder een kort overzicht.
1 plant per vakje voor grote planten zoals tomaat en koolsoorten
4 planten per vakje voor iets kleinere planten zoals paksoi, sla en andijvie
9 planten per vakje voor planten als bonen (erwten, sugarsnaps), uien, prei en bieten
16 planten per vakje voor de kleinste gewassen zoals radijsjes, lente ui en wortelen

Je kunt het ook uitrekenen, maar ik kom zelf niet altijd op de juiste afstand. Dat komt omdat bij traditioneel moestuinieren (maar ook in de agrarische wereld) veel grote gewassen geproduceerd worden. De planten krijgen dus maximaal de ruimte. Een kool wordt bijvoorbeeld op 50 centimeter afstand geplaatst, terwijl het ook in 30 centimeter kan. Een hele grote rode kool levert voor de boer veel meer geld op dan een kleinere rode kool, maar een standaard gezin kan ook met een kleinere rode kool toe.
Kun je alle gewassen in een vakjesmoestuin kweken? Nee, helaas, die vlieger gaat niet op. Sommige gewassen zijn echt veel te groot. Soms worden twee vakjes gebruikt voor een gewas zoals pompoenen. Die laat de moestuinier dan over de rand van zijn moestuinbak verder groeien. Dat is een oplossing. Sommige planten zijn gewoon echt te groot, zoals aardappelen (veel ruimte onder de grond). Sommige planten zijn vaste planten en die zijn ook minder geschikt. Denk aan rabarber. Ook fruitstruiken en bomen zijn minder geschikt, maar die vallen in beide categorieën: te groot en een vaste plant.
De bodem, net zo belangrijk als de plantafstand
We hebben het gehad over de grootte van de vakjes en over de plantafstand, maar er is nog een deel wat net zo belangrijk is: de bodem. De bedenker Mel Bartholomew had een bodem (grondsamenstelling) bedacht die optimaal voor de gewassen is. Het is een hele luchtige, voedingsrijke bodem die toch veel vocht kan vasthouden. Bij traditioneel moestuinieren loop je tussen de rijen door, maar dat is absoluut niet de bedoeling bij een bodem die Mel Bartholomew bedacht had, want dan stamp je alles alleen maar aan: weg luchtigheid.
Door een goede bodem te gebruiken, heb je ook geen variaties in bijvoorbeeld kleigrond of zandgrond. Daarnaast is het ook niet de bedoeling dat je gaat zitten spitten in een vakjesmoestuin. Oude zaden van onkruid die ooit onder je toegevoegde grond terecht kwamen, moeten vooral diep onder de grond blijven, zodat ze niet gaan ontkiemen.
Als laatste beperkt zijn samengestelde bodem bodemziektes. Omdat je elk jaar veel compost toevoegt, houd je de bodem gezond en daardoor hoef je niet aan wisselteelt te doen. Wisselteelt is nodig bij traditioneel moestuinieren, omdat elk jaar hetzelfde gewas op dezelfde plek de bodem uitput en ziekteverwekkers elk jaar weer een feestmaaltijd hebben. Ik heb in de blog van januari 2026 (link) uitgebreid verteld over monocultuur en wisselteelt. Volgens Mel Bartholomew zijn bodemziektes vaak geen toeval, maar het gevolg van een bodem die is uitgeput of telkens wordt omgewoeld.
Dit was zijn ontwikkelde samenstelling voor als je start met een vakjesmoestuin:
1/3 compost
– Voeding. Liefst een mix van verschillende compostsoorten.
1/3 turf of kokosvezel
– Houdt vocht vast en maakt de bodem luchtig.
1/3 vermiculiet
– Zorgt voor lucht, wateropslag en een losse structuur.
En nu komt er een bekentenis: ik heb dat niet gedaan. Ik heb gewoon goedkope potgrond gebruikt. Dat werkt ook, maar wil je echt helemaal in de geest van Mel Bartholomew werken, dan zou je dit wel kunnen doen. Waarom ik het niet gedaan heb? Ik vind vermiculiet echt lelijk in mijn bak, al die witte stippen. Het “verteert” ook niet. Daarnaast zijn vermiculiet en turf niet echt heel duurzaam, dus je kunt dat beter vervangen door bijvoorbeeld kokosvezel. Wat ik wel doe? Elk jaar véél compost toevoegen.




